Inleiding

Wie werkt met zzp’ers staat op dit moment voor een bijzondere paradox: de handhaving door de Belastingdienst is voller dan ooit, maar het wettelijk kader waarop die handhaving rust is volop in beweging. Op 6 maart 2026 maakte minister Aartsen van Werk en Participatie een koerswijziging bekend die direct gevolgen heeft voor alle opdrachtgevers: het verduidelijkingsdeel van het Wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) wordt van tafel gehaald. Daarvoor in de plaats komt de Zelfstandigenwet. Wat verandert er, en wat geldt er in de tussentijd?

Wat nu geldt: jurisprudentie en actieve handhaving

Zolang de Zelfstandigenwet er nog niet is, wordt de vraag of een zzp’er feitelijk werknemer is beoordeeld op basis van het huidige recht: de wettelijke definitie van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 BW – arbeid, loon en gezag) en de jurisprudentie van de Hoge Raad. Die lijn is neergelegd in het Deliveroo-arrest (ECLI:NL:HR:2023:443, 24 maart 2023) en nader uitgewerkt in het Uber-arrest (ECLI:NL:HR:2025:319, 21 februari 2025). De kern: alle omstandigheden van het geval tellen mee in onderlinge samenhang. Er bestaat geen rangorde. Ondernemerschap van de werkende kan doorslaggevend zijn, maar ook hetzelfde werk kan voor de één een dienstverband opleveren en voor de ander niet – afhankelijk van de individuele situatie.

De Belastingdienst handhaaft op basis van dit kader actief en direct: het moratorium is per 1 januari 2025 opgeheven. Naheffingen loonheffingen zijn mogelijk met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025. Vergrijpboetes zijn mogelijk vanaf 1 januari 2026. Er geldt geen aanwijzingsfase meer. En een modelovereenkomst biedt geen garantie: wat telt is hoe er in de praktijk wordt gewerkt.

Het kabinetsbesluit van 6 maart 2026: VBAR deels van tafel

Het VBAR-wetsvoorstel dat minister Van Hijum in juli 2025 bij de Tweede Kamer had ingediend, bestond uit twee delen: een nieuw W–Z-toetsingskader om te verduidelijken wanneer iemand werknemer of zelfstandige is, én een rechtsvermoeden bij een laag uurtarief. Minister Aartsen heeft het eerste deel – het verduidelijkingskader – per Nota van Wijziging van 6 maart 2026 geschrapt. Dat deel zorgde voor te veel onrust en ontbrak aan voldoende draagvlak. In zijn woorden: “Hiermee is de weg vrij voor de Zelfstandigenwet.”

Het rechtsvermoeden blijft wél overeind, maar is bijgesteld. De grens is verhoogd naar € 38 per uur (peildatum 1 januari 2026). De Tweede Kamer heeft dit deel inmiddels aangenomen; de behandeling door de Eerste Kamer loopt nog. Beoogde invoeringsdatum: 1 januari 2027. De werking is eenvoudig: een werkende die minder dan € 38 per uur verdient, kan het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst inroepen. De bewijslast dat er géén arbeidsovereenkomst is, verschuift dan volledig naar de opdrachtgever.

De Zelfstandigenwet: een andere filosofie

De Zelfstandigenwet is een initiatiefwetsvoorstel van Tweede Kamerleden van VVD, D66, CDA en SGP, dat in april 2025 werd gepresenteerd en inmiddels de consultatiefase heeft doorlopen. Het cruciale verschil met de VBAR: de Zelfstandigenwet bepaalt niet achteraf of er sprake was van schijnzelfstandigheid, maar wil vooraf duidelijkheid geven over de vraag of iemand als zelfstandige mág werken. Dat gebeurt via drie cumulatieve toetsen.

  • Zelfstandigentoets – wie is de werkende? De eerste toets richt zich op de zelfstandige zelf. Van zelfstandigheid is sprake als de werkende: werkt voor eigen rekening en risico; een deugdelijke administratie voert; zich in het economisch verkeer gedraagt als ondernemer (o.a. meerdere opdrachtgevers, eigen acquisitie, eigen bedrijfsmiddelen); een voorziening heeft getroffen voor arbeidsongeschiktheid; en heeft voorzien in een pensioenopbouw. De invulling van de laatste twee criteria is flexibel: een eigen vermogen als buffer of een lijfrente volstaat.
  • Werkrelatietoets – hoe ziet de samenwerking eruit? De tweede toets kijkt naar de feitelijke werkrelatie tussen opdrachtgever en zelfstandige. Er moet aan vier criteria zijn voldaan: de vrije wil van beide partijen om op opdrachtbasis samen te werken; de vrijheid van de zelfstandige om de werktijd zelf in te delen; de vrijheid om het werk zelf te organiseren; en de afwezigheid van hiërarchische controle (geen directe aansturing, geen verplichte rapportage). Opvallend: de “inbedding in de organisatie” – nu een van de zwaarste factoren in de jurisprudentie – verdwijnt als zelfstandig criterium.
  • Sectoraal rechtsvermoeden – extra regels per sector. In sectoren met een hoog risico op schijnzelfstandigheid kunnen bij AMvB aanvullende criteria worden gesteld. Zo kan per sector worden vastgesteld welke extra kenmerken van zelfstandigheid zijn vereist.

Twijfelgevallen worden beoordeeld door een onafhankelijke Commissie Beoordeling Toetsingskader Zelfstandigenwet, waarvan de uitspraken bindend zijn voor de Belastingdienst.

Stand van zaken: nog geen wet

De Zelfstandigenwet is op dit moment nog niet formeel als wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Het doorloopt nog de wetgevingsprocedure: advies van de Raad van State, parlementaire behandeling en stemming in beide Kamers. Als minderheidskabinet heeft het kabinet-Jetten bovendien steun van oppositiepartijen nodig. Invoering wordt vooralsnog niet voor 2028 verwacht. Wel is er tijdsdruk vanuit Europa: Nederland heeft in het kader van het Herstel- en veerkrachtplan afspraken gemaakt over de aanpak van schijnzelfstandigheid, met een Europese toetsmoment per 31 augustus 2026. Dat maakt een gefaseerde invoering van onderdelen – zoals de zelfstandigentoets – eerder dan de rest van de wet denkbaar.

Wat betekent dit nu voor u als opdrachtgever?

  • Huidig recht blijft de maatstaf. Zolang de Zelfstandigenwet niet in werking is, handhaaft de Belastingdienst op grond van art. 7:610 BW en de Deliveroo/Uber-lijn. Dat verandert niet door het kabinetsbesluit.
  • Het €38-rechtsvermoeden is reëel. Betaalt u een zzp’er minder dan €38 per uur? Dan kan die persoon na inwerkingtreding het rechtsvermoeden inroepen en de bewijslast volledig bij u neerleggen.
  • Bereid u voor op de Zelfstandigenwet. De drie toetsen geven nu al bruikbare handvatten: zorg dat uw zzp’ers aantoonbaar als ondernemer opereren, geen vaste roosters, geen directe instructies, meerdere opdrachtgevers.
  • Wacht niet op de wet. De onzekerheid over de precieze invoeringsdatum is geen reden om de huidige zzp-relaties niet kritisch te beoordelen. De Belastingdienst handhaaft vandaag al, op basis van de regels van vandaag.

Conclusie

Het zzp-dossier is in beweging, maar de richting is duidelijk: het kabinet kiest voor de Zelfstandigenwet als nieuw wettelijk kader en schrapt het omstreden VBAR-verduidelijkingsdeel. De filosofie verschuift daarmee van achteraf corrigeren naar vooraf toetsen. Dat is principieel een stap vooruit: opdrachtgevers en zelfstandigen krijgen meer mogelijkheden om vooraf zekerheid te krijgen over de kwalificatie van hun samenwerking.

Tot de Zelfstandigenwet er is, blijft de huidige jurisprudentielijn echter onverminderd van kracht – mét een Belastingdienst die actief naheft en per 2026 ook vergrijpboetes kan opleggen. Wie zijn zzp-relaties nu al inricht op de drie toetsen van de Zelfstandigenwet, loopt vooruit op de toekomstige wetgeving én vermindert zijn risico onder het huidige recht.

Snel contact

Artikel inhoud